Centre Transfrontalier de Création Théâtrale Tourcoing/Mouscron, dir. Jean-Marc Chotteau
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
   
 

La La Virgule est un trait d'union - Grensoverschrijdend theater in Tourcoing en Moeskroen

Zoals minnaars, in hun zoete en bittere woorden, nog het liefst van al over liefde praten, zo maken theatermakers theater over theater.
Deze wat algemene vaststelling gaat in het bijzonder op voor de Noord-Franse theater-man Jean-Marc Chotteau (acteur, auteur en regisseur – metteur en scène zoals de Fransen zeggen), die met zijn gelijknamige Compagnie het Salon de Théâtre en het Théâtre municipal in Tourcoing, het Cultureel centrum Marius Staquet in Moeskroen en nog een hele rist andere theaters bespeelt.

In Petites misères de la vie conjugale (1999, J.-M. Chotteau, naar Honoré de Balzac) was die aandacht voor het theater als medium reeds sterk aanwezig: in het decor, met de heel zichtbare theaterkooi – die ook een huwelijkskooi wordt – , en met de confrontatie tussen Balzac als hopeloos verliefde auteur, die zijn tekst schrijft omdat hij het geld nodig heeft om bij zijn lief te geraken, en de ontgoochelde echtgenoot uit de tekst zelf. (Éric Leblanc, die de rol van Balzac op zich neemt, speelt ook nog een aantal bijrollen in het stuk, waaronder – uiteraard – de schoonmoeder van de beklagenswaardige echtgenoot.)

In de recentste creaties, vaak op basis van door Chotteau zelf geschreven of herwerkte teksten, is theater als thema voor theater nog veel sterker en explicieter aanwezig: voorbeelden zijn L'endroit du théâtre (2003), Jouer comme nous (2004) en Comma (2005).
Anderzijds brengt Chotteau ook theater in andere dan theatergebouwen, waarbij hij wel de theatrale kwaliteiten van die locaties ten volle benut. Bij La vie à un fil (2002, in de vervallen textielververij Vanoutryve in Tourcoing), Le bain des pinsons (2004, in het oude zwembad van Moeskroen) en vooral Prises de bec au gallodrome (2000, in een oude hanenmat – of gallodrome – op de Frans-Belgische grens in Risquons-Tout) gaat het geenszins om een vorm van gedelokaliseerd toneel. De plek waar gespeeld wordt, is geen toeval, geen modegril, geen antwoord op de vraag het theater uit het theater te halen, om het zo "naar de mensen te brengen". De plek, en de theatrale kwaliteiten van die plek, worden een essentieel gegeven van het spel. Vooral in de gallodrome is dat sterk. Voor- en tegenstanders van hanengevechten – die in Noord-Frankrijk nog sporadisch gehouden worden – erkennen de theatrale kracht van een cockpit. Chotteau brengt er een dynamische mix van beroemde en minder beroemde scènes de ménage, van Molière en Ionesco tot Courteline, Feydeau (On va faire la cocotte) en de regionale Léopold Simons (met het dialectale Les carottes sont cuites), die hij lardeert met commentaren uit de wereld en het ceremonieel van de hanenkampen.

Jean-Marc Chotteau (Rijsel, 1949) stichtte zijn Compagnie in 1981, nadat hij vanaf 1974 had gewerkt voor en met Jacques Rosner (Centre dramatique national de Tourcoing), Philippe Madral en Gildas Bourdet (Théâtre de La Salamandre, Rijsel). Eind jaren '70, begin jaren '80 was de regio Nord-Pas de Calais baanbreker in Frankrijk wat betreft regionale openbare steun voor culturele initiatieven (de andere regio's hebben sindsdien een inhaalbeweging doorgevoerd). Met de steun van Pierre Mauroy kon Jean-Marc Chotteau in 1982 Quand chantaient les pinsons op de planken zetten. Enkele jaren lang was de Compagnie Jean-Marc Chotteau "sans domicile fixe", tot de stad Tourcoing haar in 1989 het mooie en gezellige (maar kleine) Salon de théâtre inrichtte (82 plaatsen). Het was in dat theater dat ik enkele jaren later Vendredi, jour de liberté van Hugo Claus (door het Théâtre d'Octobre uit Lomme, bij Lille) kon zien, en zo niet alleen de plek, maar ook de Compagnie ontdekte.

In juni 1998 ontmoette Jean-Marc Chotteau de Moeskroense schepen voor cultuur Michel Franceus, ook voorzitter van het stedelijk Cultureel centrum. Daaruit ontstond een boeiende en groeiende samenwerking, die vandaag de dag tot een waarlijk grensoverschrijdend theatercentrum heeft geleid. "La Virgule – Centre transfrontalier de création théâtrale Tourcoing-Mouscron" staat daarmee veel verder dan andere grensoverschrijdende initiatieven in de culturele sector.
De samenwerking tussen de Compagnie Chotteau en het Cultureel centrum van Moeskroen bracht immers niet alleen extra financiële middelen (via Interreg) en uitwisselingen van publiek. Ze leidde tot een gezamenlijk programma, met zowel eigen creaties als bezoekende gezelschappen, dat deels in het Salon de Théâtre, deels in de stedelijke schouwburg van Tourcoing (een wat oude doos, 200 van de 900 plaatsen zijn blind) en deels in de Raymond Devos-zaal van het Marius Staquet wordt gebracht (450 comfortabele plaatsen in een weliswaar wat kille, maar efficiënte schouwburg). Daarnaast zijn er ook de bijzondere locaties (gallodrome, bourloire, fabriek, klooster enz., naargelang het speelseizoen), voorstellingen in Wattrelos of Komen-Waasten (of Menen, voor een vooral Frans publiek, uit Halluin), en reisvoorstellingen op het Festival van Avignon, of in andere steden in en buiten Frankrijk en België, tot in Roemenië.
Voor dit programma heeft La Virgule (zoals de samenwerking dus heet) een ruim en trouw Frans en Waals publiek (1500 abonnees), dat van heinde en verre komt om aan weerszijden van de grens de voorstellingen bij te wonen.

De eigen creaties worden meer en meer het werk van zowel Franse als (Franstalige) Belgische kunstenaars. Ook de bezoekende gezelschappen komen uit beide landen. Eind 2006 zag je er bijvoorbeeld L'annonce à Guevara, geschreven door Michel Franceus zelf – hij heeft ook al enkele romans op zijn actief – in een regie van Éric Leblanc, met Alan Le Rouzic Monot (Brussel) en Valérie Sarah Mona (Bergen). Vlaamse artiesten zal je er weliswaar minder vaak zien dan in La Rose de Vents uit Villeneuve d'Ascq, dat jaar in jaar uit een half dozijn Vlaamse producties op het programma zet (naast Poolse, Italiaanse, Waalse…), maar in het seizoen 2006-2007 staat wel Dédé le taxi op het programma (van Josse De Pauw, met Jos Verbist en Djamel Hadjamar, in de regie van Paul Koek). Een smaakmaker, neem ik aan, voor verdere samenwerking, die vooral op artistieke affiniteit, en niet op institutionele opportuniteit steunen moet.

Sinds 1999 organiseert La Virgule ook, onder leiding van acteur en regisseur Éric Leblanc, haar Ateliers-théâtre, waarin jonge en oude toneelliefhebbers in een programma dat over drie jaren loopt zowel anders en beter naar theater leren kijken, als zelf theater "spelen" – zonder dat het de intentie is beroepsacteurs op te leiden. Momenteel tellen de ateliers een kleine 50 trouwe deelnemers, die ook als acteur en figurant optreden in sommige eigen creaties, bijvoorbeeld als arbeiders in La vie à un fil of Jouer comme nous.

De Compagnie Jean-Marc Chotteau en het Cultureel centrum van Moeskroen willen het daarbij niet laten. In september 2005 richtten ze een gezamenlijke juridische structuur op (een vereniging naar Frans recht), die de naam La Virgule overneemt. Die heeft tot doel de acties samen te brengen die tot nu toe door twee afzonderlijke structuren uitgevoerd werden.
De vereniging La Virgule – Centre transfrontalier de création théatrale heeft Franse en Belgische leden, een Frans-Belgisch bestuur (met Michel Franceus als Belgische voorzitter en ondergetekende als Franse penningmeester), en moet een Frans-Belgische en Europese financiering krijgen. La Virgule bespreekt momenteel met de afzonderlijke Franse en Belgische overheden de mogelijkheid om de financieringen, die tot nu toe ofwel naar de Franse Compagnie, ofwel naar het Waalse Centre culturel gingen, naar de gezamenlijke structuur te leiden, voor een werkprogramma, of takenpakket, dat zonder onderscheid aan weerszijden van de grens uitgevoerd wordt. Voor de Europese financiering kan dat alvast geen probleem zijn. Europa heeft immers niet weinig aangedrongen op een verdere grensoverschrijdende integratie van de acties.

La Virgule is een grensoverschrijdend project. Maar het is en blijft in eerste instantie een artistiek project, met een eigen kijk op theater en op tekst, en met bronnen in de lokale cultuur én in de grote Europese intellectuele traditie. Enerzijds zijn er getuigenissen van gewone mensen over de recente geschiedenis van de streek, hun werk in de textielfabriek, hun liefde en leven, hun hobby's (vinken, duiven of hanen) of hun omgeving (het zwembad van Moeskroen als beschermende bunker tijdens de bombardementen op Kortrijk in 1944, bijvoorbeeld). Anderzijds zijn er namen als Erasmus (Éloge de la folie, 1996), Descartes (Le jour où Descartes s'est enrhumé, 1997), Diderot (La comédie du paradoxe, 1999, naar Le paradoxe du comédien) of de Waalse beeldhouwer Pol Bury (L'Esthétocrate, 1992).
Tezelfdertijd is La Virgule ook een politiek project – in de nobele zin van het woord. De ambitie om een grensoverschrijdende Frans-Belgische metropool te ontwikkelen, rond steden en agglomeraties als Rijsel, Kortrijk en Doornik (en Tourcoing en Moeskroen, uiteraard), ook en vooral om wat ze voor de burgers kan betekenen, krijgt daarmee een belangrijke culturele en artistieke troef – zonder de verworvenheden van Lille 2004 of andere realisaties uit het oog te verliezen. Vooralsnog is die troef vooral Frans-Waals, maar een Vlaamse dimensie komt er zeker ook. Als het morgen niet is, overmorgen dan. Zowel het medium als de inhoud zijn universeel.
Tenslotte is La Virgule ook een professioneel project: meer en meer wordt beroep gedaan op mensen aan weerszijden van de grens, met uiteenlopende opleidingen, curricula, artistieke én institutionele referentiekaders. Zelfs voor de ontwikkeling van de economische betrekkingen over de grens is dat een goede zaak.

La Virgule zal ook en vooral haar artistiek project in de komende jaren verder uitbouwen. Onder impuls van directeur Jean-Marc Chotteau, van Maud Piontek (algemeen secretaris) en Cécile Debard (beheerder) werkt La Virgule aan de projecten Hôtel de l'Europe en Eurotopiques.
Hôtel de l'Europe moet in 2008 op de planken staan. Beroemde reizigers uit diverse landen worden – elk in hun eigen taal – met elkaar geconfronteerd. Een prostituee spreekt de taal die allen verstaan. Het stuk moet de voortrekker worden voor Eurotopiques, een Europees en grensoverschrijdend festival voor theaterprojecten.

Het Franse "virgule" is een komma. In theater is "une virgule" een adempauze.
Grenzen overschrijden houdt in dat je met grenzen werkt, en dat je bij grenzen ook even pauzeert, even stilstaat. Wat betekenen grenzen? Waarom zijn er grenzen? Wat verwachten we van ze?
Misschien is grensoverschrijdende samenwerking, artistiek en intensief, zowel een band ("un trait d'union", of koppelteken) als een adempauze. Le trait d'union est une virgule. Een komma als koppelteken.


Jef Van Staeyen

Deze tekst werd opgenomen in het 32ste jaarboek De Franse Nederlanden (2007), uitgegeven door Ons Erfdeel vzw.
www.onserfdeel.be

 
     
 
 
 
  haut de page